Kindsterretje

20 November, 10.30uur.
Hard gebonk op de deuren.
“Politie, doe open!!!”, roept iemand. Een dof geluid als de politie de deur open schopt. ‘Moet dat nou, al die herrie zo vroeg in de morgen’, vraagt hij zich af terwijl hij nog een keer op zijn andere schouder gaat liggen. Het appartement naast hem wordt al tijden gebruikt als drugspand, dat vond hij wel best, hoefde hij niet zo ver te lopen om wat te scoren.

Een paar uur later wordt hij opnieuw wakker, geen gebonk deze keer, maar hij voelt wat gekriebel op zijn buik. Hij pakt de slipper die naast zijn matras ligt en slaat zichzelf een paar keer op zijn buik, zijn t-shirt vertoond een rood vlekje. Dat was al de tweede keer deze ochtend dat hij door ongedierte wakker werd gemaakt.

Opstaan dan maar, een kopje koffie gaat er wel in. Helaas is de koffie op, eigenlijk is alles op, geen geld voor boodschappen. Dan maar een glaasje water. Hij pakt zijn glas van de tafel, gooit de oude peuken eruit en tapt een glaasje water uit de kraan. Gelukkig is het kraanwater zelfs in het ghetto te drinken.

Op zijn keukentafel ligt nog een laatste restje van zijn joint, die kan hij wel gebruiken op deze onrustige dag. Hij buigt over het fornuis en steekt zijn jointje aan. Tijd voor ontspanning en misschien nog wat geld maken om boodschappen te doen.

Als hij naar de badkamer loopt struikelt hij half over zijn vergeten speelgoed. ‘Stomme kraanwagen’, mompelt hij nog terwijl hij zijn rode lokken in de spiegel bekijkt. Een onverzorgde bos haar, bijna een afro, alleen dan rood met allemaal klitten. Zijn huid is zo wit, dat hij even dacht dat hij bloedde, maar het was de bloedvlek van de kakkerlak op zijn t-shirt. Goede wiet hadden de buren. Hij mist ze nu al.

Nog even naar het toilet, shit, toiletpapier op. Nog een keer extra persen om zeker te zijn dat alles eruit is en dan snel de douche in.
Onder de douche bedenkt hij zich dat hij beter zijn joint even weg had kunnen leggen. Het is niet zijn dag, maar dat is hij tegenwoordig wel gewend. Vroeger was hij een ster, maar nu is hij in de vergetelheid geraakt. Langzaam kleed hij zich aan. Spijkerbroek, eerst linkerbeen dan rechterbeen. Iets klopt er niet, zijn rechterbeen is halverwege de pijp via een gat naar buiten gegaan.
Nog een keer proberen, gelukt. Ook trekt hij een trui aan over zijn t-shirt, het is immers november.

Hij trekt zijn deur open, het is druk op de gang, allemaal mannen in witte overalls. Even schrikt hij en krijgt hij een flashback naar zijn periode in De Lispeltuut.
De Lispeltuut, wat was hij blij dat hij daar weg was. Dagelijks met een groepje verslaafden in een cirkeltje en dan praten over de dingen die je had gedaan en die je eigenlijk niet had mogen doen. Ja, hij had wel spijt dat hij de houten poot van Karel had gebruikt om te gaan honkballen. Maar hij kon toch ook niet weten dat Karel die dag de finale moest rennen op de Paralympics.

Maar deze mensen waren van de politie en ze waren bezig met het opruimen van de wietplantage van de buren. Lopend naar de lift voelde hij de blikken van de politiemannen in zijn richting.
Hij draaide zich om om te kijken of hij niet aan het trippen was.
Toen hij zich helemaal had omgedraaid voelde hij meteen hoe een rubberen zool van een legerschoen een mooie afdruk in zijn maag achterliet.
Door de kracht valt hij achterover en zijn hoofd stuitert nog een aantal keren op de vloer. Hij denkt ‘what te f*ck?’ en terwijl hij probeert de pijn op zijn achterhoofd weg te wrijven ziet hij hoe de mannen staan te lachen. Met zijn handen in zijn haar ligt hij daar, verbaasd, blik op oneindig. Stamelend vraagt hij watvoor dag het is. ’20 November’, zegt de man terwijl ze nog harder beginnen te lachen. En dan begint het te dagen, het is 20 november, ‘kick a ginger’-dag. Hij staat op en haast zich snel naar binnen om zijn blauw met roze pet op te doen.
Als hij weer de deur uitloopt staan de mannen nog steeds te lachen. Dat doet in ieder geval geen pijn.

Op het station aangekomen, na 20 minuten lopen, loopt hij de fietsenrekken af op zoek naar een geschikte fiets. Het liefst een omafiets, en als het kan met handremmen. Daar staat er een met een simpel kabelslotje. Van een andere fiets breekt hij de standaard af, deze steekt hij in de kabel en hij begint te draaien. Door de druk die op de kabel ontstaat springt uiteindelijk het slotje.
Nu nog verkopen, gelukkig wonen er genoeg studenten in de stad, dus dat zou niet zo moeilijk worden.
Uiteindelijk had hij de fiets voor 15 euro aan een corpsballetje verkocht. Snel wat eten kopen en natuurlijk het toiletpapier en de koffie niet vergeten. Zijn oude vriendin Aagje werkt als kassiere bij de plaatselijke supermarkt. Meer dan ‘hallo’ en ‘daag’  kon hij tegenwoordig niet tegen haar zeggen.

Hij had alweer genoeg van de dag en spoedde zich naar huis. De politie was eindelijk weg. Hij zag dat de deur van de buren niet goed was gesloten, zou ook raar zijn want deze had de politie geforceerd. Hij duwt de deur zachtjes open en roept ‘hallo’, de leegte van het appartement echode bijna terug.
Zo leeg lijkt 20m2 nog ergens op. Zijn blik doet nog een rondje in het appartement en in de hoek staat een vergeten vuilniszak. Als hij dichter bij de zak komt kan hij zijn geluk al niet meer op, als een bloedhond vangt zijn neus de geur van wiet op en alles wijst in de richting van de vuilniszak.

En ja hoor, de zak zit vol met henneptoppen. Als hij niet zo dun was geweest zou hij een gat in de lucht springen.
Thuisgekomen stopt hij zijn hoofd in de zak, een aantal topjes blijft in zijn haren plakken. Snel rolt hij nog een jointje en steekt hem op. Drie jointjes later begint hij te denken aan vroeger, vroeger was alles zo simpel. Dagelijks ging hij buitenspelen met zijn kraanwagen, iedereen vond zijn rode haren zo leuk. Samen met Aagje beleefde hij allerlei avonturen. Hij droomde van een carriere bij de ANWB. Toen hij wat ouder werd, werd alles complexer.

Hij kreeg gevoelens voor Aagje, maar zij hield meer van oudere mannen en niet van jongens van 18 met hun kraanwagentje. Op een dag betrapte hij Aagje met de museumdirecteur. Er knapte iets in hem. Hij had gehoord dat je je problemen kon wegdrinken, 6 flessen kindercola later had hij alleen nog maar buikpijn en was hij Aagje alweer vergeten. Bij de daarop volgende tegenslagen greep hij ook naar de fles. Na een akkefietje met de majoor en zijn paard werd hij van school gestuurd.
In die tijd ging het met de buurt ook al slechter, de fabriek waar ze stampertjes maakten werd gesloten en veel van zijn buren verhuisden naar een betere omgeving. De leegstaande appartementen werden verhuurd aan probleemgezinnen die nergens anders welkom waren.
En de “Hoedenflet” werd zelfs afgebroken.
Op een gegeven moment liep hij meneer Pen tegen het lijf. Meneer Pen had iets beters dan kindercola, hij had wiet. Daarmee kon je geld verdienen en je eigen pijn verzachten. Hij ging dealen voor meneer Pen, dagelijks was hij weer op straat te vinden met zijn bekende kraanwagentje. Alleen had hij nu de drugs verstopt in het wagentje.
Meneer Pen was een jaar later omgekomen bij een ripdeal. Omdat hij nu geen leverancier meer had stortte zijn leven nu helemaal in.
Geen wiet, geen geld. Geen geld, geen wiet.
Hij zou voor altijd gevangen zijn in de Petteflet
Nu zit hij weer in zijn kamer, met een zak vol met wiet. In de hoek van zijn kamer ligt het wagentje waar hij vanochtend nog over heen viel.
Een glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij maakt een aantal zakjes wiet en verstopt ze onder de motorkap.
De volgende dag gaat hij voor het eerst sinds jaren weer met zijn wagentje naar buiten. Van alle kanten komen mensen op hem afgelopen, zwaaiend met geld.

De avonturen kunnen weer beginnen.