Ik wil mijn zakjes terug

Koptelefoon op  mijn hoofd.
Blauw mandje in mijn hand.
‘Hoe zou het zijn om met het kleine blauwe mandje op iemand zijn hoofd te slaan?’

‘Misschien bij die jongen met zijn scheve pet.
Of bij die vakkenvuller met zijn broek op zijn knieën.’

Terwijl ik bedenk hoe ik dit het beste kan doen, zonder dat mensen me raar gaan aankijken, stop ik mijn boodschappen in het mandje. Een netje pitloze mandarijnen, tandpasta, koekjes en de AVRO-bode.

Bij de kassa, zet ik alles op de band. Nog één keer kijk ik naar het blauwe mandje en grijns.

Ik betaal voor mijn boodschappen en wil een klein plastic zakje pakken om ze in te doen.
Maar, …

Zijn ze helemaal gek geworden?

Integratie deel veel

Zo, ik woon nu al een aantal jaren in Amsterdam Zuidoost, in de volksmond de Bijlmer, en ik ben van mening dat het redelijk goed gaat met de integratie.
Ongeveer vier a vijf jaar geleden ben ik naar de Bijlmer verhuisd van het mooie, criminaliteitloze Eindhoven, waar de bevolking voor 99% blank is en een ruim boven modaal inkomen geniet. (die overige procent bestaat trouwens uit de schoonmakers, maar die varen we in via de Dommel.)
Je begrijpt natuurlijk dat er een groot verschil is tussen Eindhoven en de Bijlmer en dat ik mij probeer aan te passen aan de normen en waarden van mijn nieuwe leefomgeving.

Ik kan melden dat ik met vallen en opstaan toch wat wijzer ben geworden en me hier meer en meer op mijn gemak voel.

Het begon natuurlijk met de simpele dingen die je in Eindhoven niet hebt, zoals de metro en de tram. In de Bijlmer heb je ook geen tram, dat is meer weggelegd voor de ‘betere’ bevolking van Amsterdam.  (in Amsterdam Noord rijd ook geen tram, want daar wonen de ‘speciale’ mensen).
Echt verschil tussen de metro en de tram is er niet, ze rijden beiden hoofdzakelijk boven de grond, alleen de metro rijd minder vaak tegen een bus aan.

Voor de metro hoor je niet te betalen, anders hoor je niet thuis in Zuidoost. Voorheen was dit heel makkelijk, want toen waren er nog geen poortjes. Nu is het wat moeilijker, want dan moet je dichter op je voorganger lopen. Of je schopt tegen een poortje aan, maar dan worden je Nike’s vies.
Al snel was het me gelukt om me deze regel meester te maken.
Van mijn werk kreeg ik namelijk een OV-jaarkaart, waardoor ik helemaal niet voor de metro en tram hoef te betalen.

Verder rijden er in de Bijlmer geen normale taxi’s. Wel rijd er de zogenaamde ‘snorder’, ook wel ‘snodder’ genoemd, deze (meestal donkere) man brengt je voor een zacht prijsje overal waar je naartoe wil.
In Eindhoven was ik alleen de zwarte taxi gewend, maar dat ligt hier waarschijnlijk wat gevoeliger.
Om een snorder te vinden hoef je alleen bij een bushalte te gaan staan en de kans is groot dat de eerst volgende auto die voorbij rijd omdraait, zijn raampje naar beneden draait en vraagt of je mee wil.
Met het angstzweet in mijn schoenen heb ik dit een keer uitgeprobeerd op klaarlichte dag en ik heb het overleefd. De beste man reed nog naar behoren en volgens mij ook via de juiste route.

Een van de belangrijkste tradities in de Bijlmercultuur is het eten. Dit gebeurt de hele dag door en nooit met mate. Ik heb het geluk dat ik bij het centrum van de Bijlmer woon, waardoor alle diverse eetgelegenheden dichtbij zijn. Dit heeft mij de mogelijkheid gegeven om eerst een duidelijk stappenplan te maken, waardoor ik mijn smaakpapillen niet heb verkracht.
Hoofdgerecht is kip en bekend is dan ook de Kentuck Fried Chicken, waar de kip (zoals de naam al aangeeft) gefrituurd is. Je hebt daar verschillende smaken kip, original, hot&spicy en niet-gaar. Ik heb ze allemaal geprobeerd en van de ene had ik de volgende dag meer last van mijn poeperd dan van de andere.
Als je de KFC eenmaal meester bent kan je dieper de Bijlmer in voor de Roti en de Moksi Meti. Als je wil integreren moet je zelf ook bereid zijn offers te brengen, mijn maag is dan ook af en toe compleet de weg kwijt geweest.
Momenteel ben ik bij dit deel van de cursus bezig met het naar binnen werken van Telo Bakkeljauw, Bojo en Pom.
In het geniep eet ik nog wel eens een gezonde Hollandse stamppot.

Het is me duidelijk geworden dan je als man in de Bijlmer nog extra je best moet doen, wil je niet te veel opvallen.
Zo hebben de mannen hier veelal meerdere tatoeages, de zogenaamde tattoo-boyz. Nu was ik niet zo van de lichamelijke versieringen, want dat doet nou eenmaal pijn, zo een naald in je lijf. Maar om niet te veel aandacht te trekken heb ik me er toch maar aan over gegeven.
Op dit punt ben ik dan ook half geslaagd. Half, omdat ik geen tattoo in mijn fissie of ontblote onderarmen heb.

Momenteel ben ik bezig met het volgende hoofdstuk en dat is het huisdier, de hond.
De hond is hier veelal een statussymbool. Ze moeten zo mean en lean zijn als maar kan. Het liefst van het merk pitbull, stafford of een andere killingmachine.
Na lang wikken en wegen is het een Amerikaans Stafford geworden. Deze hond heb ik nu een paar maanden en ik ben bang dat ik deze les niet helemaal goed heb begrepen.
De hond rent heel de tijd kwispelend naar iedereen toe om aangehaald te worden en ze wil met alle andere honden spelen. Misschien komt het toch omdat het een vrouwtje is. Of was het een verkeerde move geweest om dat roze halsbandje met bling-bling aan te schaffen?

Zoals ik al zei, het gaat allemaal gestaag vooruit, maar ik heb nog een lange weg te gaan voordat ik mijn vuilnis van het balkon naar beneden gooi en crack op de hoek van de straat ga verkopen.

De Verwisseling

Buiten is het donker, het waait, het regent, het is geen herfst, maar dat lijkt het wel. Donkere wolken hebben zich boven mij samengepakt, de natuur weet dat er iets te gebeuren staat.
Ik weet van niets, het is drie uur ’s nachts en ik zit aan mijn bureau, voor mijn neus ligt mijn notitieblok met daarin een aantal belangrijke zaken die ik nog moest oplossen.
Aan het plafond hangt een TL balk, als ik er goed naar kijk zie ik dat het knippert.
Na een aantal seconden draai ik mijn hoofd weg en kijk in naar de witte muur voor mij. Nu lijkt het alsof de muur knippert. Ik zie beelden op de muur bewegen, zwarte vlekken dansen in het rond. Ik probeer ze te vangen in mijn blik, maar iedere keer zijn ze me te snel af en verdwijnen ze weer.
Ik probeer me te concentreren, maar de regen die tegen het raam tikt begint me te irriteren. ‘Tik Tik Tik’. Ik wrijf met beide handen door mijn haar. ‘Wanneer houd dit op?’. Het blijft maar doorgaan. ‘Tik Tik Tik’.
En dan ineens, ‘BAM’.

Het klinkt als een blikseminslag, maar ik had nog geen flits gezien.
Misschien had ik het gemist toen ik naar de muur staarde. Nu zie ik de schaduw van mijn whiskyfles bewegen. Als ik omhoog kijk zie ik dat de TL balk heen en weer deinst.
Die blikseminslag moet wel heel dichtbij zijn geweest.
Buiten hoor ik stemmen. Ze worden steeds luider en luider. Ik hoor voetstappen op de gang. Iemand rent door de gang en slaat op de deuren van de kamers. “Brand! Brand!”, wordt er geroepen.
Ik wrijf nog een keer met mijn handen door mijn haren. ‘Waarom nu?’, denk ik. Net nu ik me moet concentreren, gebeurt al de ellende.

Langzaam sta ik op, ik pak wat dingen van mijn bureau bij elkaar. Ik trek mijn vest aan en zet mijn honkbalpet op en loop naar de deur.
Met mijn elleboog doe ik de klink naar beneden. Precies op dat moment slaat aan de andere kant van de deur iemand op mijn deur.
Met een zwiep vliegt de deur open, van schrik laat ik mijn notitieblok vallen. In mijn andere hand houd ik de whiskyfles nog stevig vast, tot mijn verdriet vallen er door het geschut wel een aantal druppels uit.
In de haast die ik had kon ik de dop niet vinden. Eerlijk gezegd weet ik ook wel dat de dop na het openen van de fles altijd meteen in de prullenbak beland.
Ik neem rustig een slok van de fles. De man die zojuist de deur zowat uit de voegen heeft geslagen schreeuwt als een gek: “Brand! Brand! Iedereen naar buiten.”
Hij kijkt me in mijn ogen, daarna naar het opengevallen notitieblok en als hij weer naar mijn ogen kijkt ziet hij dat ik de fles aan mijn mond heb gezet en geen haast maak.
De man roept nog iets en verdwijnt dan naar de volgende deur die hij kapot kan slaan.

Als ik door mijn knieën ga om mijn notitieblok op te pakken, zie ik voorbij rennende benen. Aan die benen zitten veelal blote voeten, maar hier en daar ook een pantoffel. Ik zie zelfs een paar Italiaans lederen instappers voorbij rennen.
Als ik weer ben opgestaan kijk ik de gang in en ik zie nog net de lederen instappers de hoek om rennen. De gang is nu leeg, het is ook stil, muisstil. Ik kijk nog een keer goed rond en tot mijn verbazing zie ik geen rook.
Ik snuif een keer goed met mijn neus en het enige dat ik ruik is een penetrante zweetlucht. Ik ruik geen rook. ‘Nou, die brand zal wel niet zo spectaculair zijn’, denk ik bij mezelf.

Ik draai me om en loop rustig mijn kamer in en doe de deur achter me dicht.
Een telefoon gaat. Best apart, want ik heb geen telefoon.
Ik weet niet waar het geluid vandaan komt, maar dat het in mijn kamer is staat vast.
Het geluid houdt aan: ‘Tringgg tringgg’. Het is een klassieke beltoon. Gelukkig maar dat het geen liedje is, anders zou ik niet eens in de gaten hebben dat het een telefoon is.
In de keuken zie ik een knipperend lichtje, ook het geluid komt daarvandaan.
‘Onbekend nummer’, staat erop. Onbekende telefoon ook. Ik pak de telefoon, maak met mijn rechtervoet de pedaalemmer open en gooi de telefoon nonchalant onderhands in de emmer.
Als ik mijn voet optil gaat de deksel dicht. De telefoon blijft echter doorgaan.
Ik ga op de bank zitten en zet mijn lippen aan de fles. Terwijl ik een slok neem gaan mijn ogen richting de prullenbak. Hij maakt geluid en trilt. De telefoon weet van geen ophouden.

Met een diepe zucht til ik mezelf van de bank en loop ik terug naar de keuken.
Ik maak de pedaalemmer open en zie de telefoon in de verder lege pedaalemmer rond dansen. Ik buk en pak de telefoon op. ‘Onbekend nummer’ belt nog steeds. Ik neem op.
Aan de andere kant van de telefoon zegt een hese damesstem: “Hallo.”
‘Ahh, een vrouw van weinig woorden’, denk ik. Mooi. Ik zeg ‘hallo’ terug.
Het blijft een aantal seconden stil, net lang genoeg om nog een slok whisky te nemen.
Dan zegt de vrouw ineens: “Zet die fles whisky neer en kom naar buiten, ik moet je spreken, het alarm is niet voor niets afgegaan.”
Van de schrik laat ik deze keer de fles wel vallen. Hij stuitert een keer en de volgende keer dat hij de vloer aanraakt spat de hals van fles in tweeën.
Boos reageer ik: “Staat er buiten een nieuwe fles whisky te wachten? Die van mij is net kapot gevallen. Godverdomme, wat is dit nou voor gedoe?”
“Naar buiten. NU!”, klinkt de vrouw ineens een stuk minder hees, maar des te strenger.
Ik gooi de telefoon door mijn keukenruit naar buiten. Ik merk op dat ik geen glasgerinkel hoor. Mijn keukenruit was al kapot. Nou ja, kapot. Heel de ruit is weggehaald.

Er zijn nu al te veel vragen. Was er brand? Hoe kwam de telefoon in mijn keuken? Wie was de vrouwenstem? Waar is mijn keukenruit gebleven?
Maar het belangrijkste; Wie zorgt ervoor dat ik een nieuwe fles whisky krijg?
Ik besluit om te doen wat de vrouw zei. Zij kan mij wellicht een aantal antwoorden geven en op zijn minst een nieuwe fles drank.
Als ik naar buiten loop komen een aantal bewoners weer terug gelopen. Ik herken de slippers die ik voorbij zag rennen.
“Laat maar, het was vals alarm, ga maar weer naar binnen”, zegt de man met de slippers.
Stoïcijns loop ik verder.
Als ik buiten sta kijk ik om me heen. De regen is gestopt, ik kan zelfs een aantal sterren zien.

Aan de overkant van de straat staat een zwart busje. Hij knippert met zijn lichten.
Ik kijk nog een keer rond. Niemand geeft aandacht aan het busje. Mensen lopen alleen maar terug naar binnen. Iedereen is in zijn of haar slaapkleding. De Italiaanse stappers zijn nergens te bekennen.
Als ik weer in de richting van het busje kijk wordt er weer met de lampen geknipperd.
Ik zwaai een keer. Ik zie nergens een vrouw die me gebeld zou kunnen hebben.
Ik vind het allemaal maar vreemd. Wie was toch die mysterieuze vrouw die zo graag wou dat ik naar buiten kwam. Waarom staat ze dan niet gewoon hier voor de deur te wachten?

Ik baal er van. Mijn avond begon zo rustig. Ik zat lekker aan mijn bureau die belangrijke kruiswoordpuzzel op te lossen, met als hoofdprijs een stedentrip naar Berlijn. En opeens zit ik weer in allerlei ellende waar ik niets van begrijp.
Wat ik wel begrijp is dat mijn fles whisky kapot is gevallen. En zonder alcohol, krijg ik die puzzel niet opgelost.
‘Fuck it’ denk ik.,‘niemand te bekennen hier buiten, ik ga een nieuwe fles kopen.’
Wanneer ik me omdraai om richting de avondwinkel te lopen, begint iemand in het busje te toeteren. Ik kijk nog een keer om naar het busje, maar ik zie nog steeds geen vrouw. Ik loop verder in de richting van de winkel, verder van het busje vandaan.

Als ik vijf meter verder ben hoor ik het busje starten. Even later stopt het busje voor me. De achterdeuren vliegen open en ik hoor weer de vrouwelijke stem: “Instappen nu!!!”.
‘Wie kan dat nu negeren? En misschien krijg ik nu wel mijn fles whisky’, denk ik en ik besluit in te stappen.
De wanden van het busje zijn bekleed met monitors waarop de omgeving is te zien. Ik ga op een stoel zitten. Voor me zit een vrouw met lange zwarte haren, ze is helemaal in het zwart gekleed. Ze gaat bijna op in het zwartlederen interieur van de auto.
Na mij een paar seconden te hebben aangestaard begint de vrouw: “Agent Mauritz, we hebben al een tijdje geen update meer gehad over de status van uw opdracht.”
Verbaasd kijk ik de vrouw aan. “Inspecteur Mauritz? Sorry, maar dat ben ik niet. Ik ben geen agent, ik heb niet eens een baan. Maar misschien dat u mijn tweelingbroer Mark zoekt. Ik ben Mike.”
De vrouw is stil.
“Mark heb ik ook al een tijd niet meer gezien. Tien jaar zelfs, zo ver ik weet zit hij in Rusland. Maar het is toch duidelijk dat ik niet hem ben. Ik heb een tatoeage op mijn linker onderarm en Mark op zijn rechter.” En ik rol mijn linkermouw op.
De vrouw kijkt me vol verbazing aan. Ze pakt de telefoon op en begint te bellen.
Twee minuten later bied ze haar excuses aan. “Sorry Mike, onze fout. Mark heeft inderdaad een tatoeage op zijn andere arm. Mocht je hem zien, kan je dan contact met ons opnemen?” En ze geeft me een kaartje met een telefoonnummer erop.
“Het maakt me niet uit. Hij heeft er al vaker voor gezorgd dat ik in de problemen kom. U heeft zeker geen fles whisky voor me? Want ik heb die van mij laten vallen.”
De vrouw schudt ‘nee’ en wijst me de deur. Schouderophalend stap ik het busje uit. Achter me hoor ik de deuren van het busje dicht slaan en met piepende banden rijd hij weg.

Ik kijk een keer naar het kaartje en gooi deze op straat. Ik rol mijn rechtermouw op en vergelijk de tatoeage met die op mijn andere arm. Ze zijn precies gelijk.
Stiekem moet ik lachen en ik rol beide mouwen weer naar beneden en loop verder in de richting van de winkel.
Mijn kruiswoordpuzzel wacht op me.

Korte Broekendag

Als ik wakker aan het worden ben, zie ik door de spleetjes van mijn ogen dat het zonnetje buiten al aan het schijnen is en een kleine glimlach verschijnt op mijn gezicht. Voordat ik naar bed ging wist ik al dat het vandaag een mooie zonnige dag ging worden, dat zeiden ze immers bij de weersvoorspelling. ‘Het wordt morgen een mooie en zonnige dag’, was wat de weerman zei. Maar ja, de weerman heeft me in het verleden weleens meer dingen belooft die hij niet heeft waar kunnen maken. “Eerst zien, dan geloven” is het huidige motto.

Met mijn hand probeer ik het laatste beetje slaap van mijn gezicht af te wrijven. Ik weet ook wel dat dit niet lukt, maar tegenwoordig hebben ze daar allemaal ‘mannendingetjes’ voor. Zalfjes met daarin Q10, want daar krijgt je lichaam energie van en dan lijk je niet meer zo vermoeid. En aangezien ik ook een man ben die meegaat met zijn tijd en er ook weleens niet vermoeid uit wil zien, heb ik ook zo een zalfje. Het geeft een beetje een tintellend gevoel als je het net hebt aangebracht, maar dat doet zout op een open wond ook en ik heb nooit van iemand gehoord dat je daar echt vrolijk van wordt.

Opgestaan, boterham smeren.
Brood is oud en droog, gelukkig heeft hiervoor iemand met verstand van zaken ooit de broodrooster voor uitgevonden. Hup, brood in de rooster. Even wachten en dan wat pindakaas erop. Kopje thee erbij en ik ben helemaal klaar voor het ontbijt.

Even snel de pc aanzetten om te kijken wat de buitenradar zegt over het weer van vandaag.
Ik neem alvast een lekkere douche en terwijl ik mijn tanden sta te poetsen kijk ik naar mijn monitor, de ‘downloadmachine’ is bijna klaar met opstarten.
Goed nieuws vanuit de buienradar, het is vandaag ‘korte broekendag’.

Dit betekent niet veel anders dan dat ik een korte broek aan ga doen. Dat doe ik omdat het warm is en omdat het iets relaxter zit dan een lange broek. Het liefst zou ik heel het jaar door korte broekendag hebben, maar het klimaat werkt mij daarin veelal tegen. Ik, en mijn balletjes, hebben het niet zo op het koude weer dat hier het grootste gedeelte van het jaar met de scepter zwaait.

‘Iene, miene, mutte’, mijmer ik terwijl ik met mijn vinger van de ene naar de andere broek wijs. Uiteindelijk wordt het de groene korte broek. Apart, al mijn spullen zitten er al in. Even denk ik dat ik gek wordt, maar dan besef ik me dat het gisteren ook ‘gewoon’ korte broekendag was en dat ik nu dus dezelfde broek aan heb als gisteren. Maar wat maakt mij het ook uit, het zonnetje schijnt buiten als een baby die aan de haren van zijn moeder trekt. In mijn gedachten zie ik de Teletubbies al ergens over een konijnenheuvel huppelen. “Hoi Tinkywinky, wat gaan we doen vandaag?”, “Ik ga lekker over deze heuvel heen huppelen. Maar jij moet even die vervelende stofzuiger een handje helpen, want hij heeft een volle zak.”

Broek aan, sokken aan, schoenen aan.
Ik trek de deur achter me dicht. De sleutel verdwijnt met een soepele beweging in het slot (de krassen naast het slot zijn een getuigen dat dit niet altijd even soepel is gegaan), ik doe de deur op slot.
Als ik beneden ben probeer ik mijn telefoon uit mijn broekzak te pakken. Het blijft echter bij proberen, want mijn telefoon zit niet in mijn broekzak. Terwijl ik mezelf de huid vol scheld – natuurlijk op een toon dat niemand het hoort – ren ik weer de trap op.
Mijn telefoon ligt nog stilletjes op het kastje naast mijn bed, waar hij zichzelf ook nuttig maakt als wekker.

Als ik uiteindelijk buiten ben, voel ik hoe mijn huid de zonnestralen in zich op neemt. Ik wordt er weer vrolijk van en begin mijn wandeling richting het winkelcentrum.
Het betreffende winkelcentrum is genaamd “Amsterdamse Poort” en ligt in Amsterdam Zuidoost. Amsterdam Zuidoost is in de volksmond beter bekent als de Bijlmer. De jeugd – die hele dagen op de straat hangt – noemt het liefkozend ‘Bimre’.

Het vrouwelijke equivalent van een korte broek, is een kort rokje. Dit is een van de redenen waarom mannen, waaronder ik, altijd uitkijken naar de zonnigere periode van het jaar.
In de Bimre is dit niet anders.
Korte rokjes, korte topjes.
Strakke legging, strakke topjes.
En natuurlijk de altijd kleurige en fleurige Afrikaanse – en Surinaamse klederdracht.
Helaas zijn niet alle vrouwen even bekent met hun ware uiterlijk en zo gebeurt het dat ik op deze zonnige dag toch nog om de paar minuten het maanlandschap mag aanschouwen.

Op mijn gemak sjok ik door de winkelstraat, mijn korte broek weerspiegeld in de winkelramen. Als ik de schoenenwinkel binnenloop voel ik hoe een koude windvlaag mij tegen mijn hoofd slaat. Ik zie dat de verkopers een beetje teleurgesteld mijn kant opkijken. Dit is niet alleen omdat ik een notoire ‘windowshopper’ ben. Maar de airco staat is in de winkel extra koud gezet zodat de vrouw die binnenkomt, die al weinig kleding aanheeft, door de extra koude windvlaag met vooruit prijkende tepels de winkel betreed.

Nadat ik twee minuten van mijn zontijd heb verspeeld in de schoenenzaak door veelal afkeurend naar de schoenen te kijken, ga ik weer naar buiten. Ik ren nog net niet, maar ik wil zo snel mogelijk de koude windvlaag achter me laten.
Ik besluit om bij de ijscoman op het midden van het plein een ijsco te halen. Twee bolletjes, citroen en mango, echte zomerse smaken. Een servetje heb ik niet nodig, want ik ben van plan om het ijsje in recordtijd naar binnen te werken. Als mijn mond de eerste bol raakt merk ik dat deze niet zo hard is als dat ik gewend ben. Na drie happen zijn beide bolletjes in mijn maag verdwenen. De koekjeshoon dump ik na een paar hapjes in de vuilnisbak.

Nadat ik bij diverse winkels naar binnen heb gekeken besef ik dat er meer mensen in het winkelcentrum zijn om mensen te kijken dan om te winkelen. Ik ga eventjes op een bankje zitten, zodat ik wat ontspanner naar mensen kan kijken. Ook moet ik even mijn honger naar nieuws vullen. Ik pak mijn telefoon en ga online kijken of er nog iets spannends is gebeurt. Op nu.nl is niets interessants, op teletekst is niets interessants. Op Twitter dezelfde berichten van dezelfde personen, ook niets nieuws. Dan maar even op Facebook kijken om te zien wat mijn sociale netwerk aan het uitspoken is. Velen vinden het belangrijk om te melden dat het mooi weer is buiten. Dan kijk ik naar boven en ik zie dat ze gelijk hebben.

Tien meter van mij af zie ik een jongen en een meisje samen een zestal hotwings van Kentucky wegwerken. Volgens mij zijn ze verliefd, want waarom zou hij anders de hotwings met haar delen? De enige andere reden die ik kan bedenken is dat ze anders dadelijk wat ‘persoonlijkere’ handelingen bij hem zal uitvoeren in de ruil voor een aantal hotwings. Zo hadden ze in de rest van het land de term ‘breezerslet’, maar hier zal het eerder ‘hotwingsslet’ zijn. En dat komt dan vooral door de voorliefde voor kip van bepaalde bevolkingsgroepen.
Ik laat de twee voor wat ze zijn en kijk de andere kant op.

Aan de andere kant van het plein staan een paar kinderen te voetballen. De tegels liggen daar niet recht maar een beetje hobbelig en door elkaar. Een oude man vraagt aan de oudste van het stel (in ieder geval de langste en met een halve snor) waarom ze niet op een grasveld gaan spelen. De jongen antwoord dat je op elke ondergrond moet kunnen voetballen. Volgens mij willen ze later bij de plaatselijke voetbalclub spelen.

Na een tiental minuten heb ik het wel weer gezien en besluit om even wat eten te halen in de Albert Heijn. Ook al heb ik een hekel aan Albert Heijn, ik blijf er terugkomen. In de Albert Heijn heb ik geen bereik met mijn telefoon. Maar dit is niet erg, want ik ben al heel de dag niet gebeld en wat is de kans nou dat iemand mij in die vijf minuten dat ik in de Albert Heijn ben, probeert te bellen.
Ik zoek een kant-en-klaar maaltijd met een 35%-kortingssticker uit en een blikje drinken.
Bij de kassa staat een lange rij, bij de kassa ernaast precies hetzelfde verhaal. Ik besluit om even in een weekblad te bladeren en om te wachten totdat de rijen wat korter zijn.

De weekbladen bij de Albert Heijn zijn het allemaal net niet. Ze zijn er wel, maar net niet de bladen die interessant zijn. Dan maar even de Veronica-gids pakken, want daar staat een strip in die altijd wel leuk is.
Strip gelezen.
Beetje gelachen.
Rij iets korter.
Terug in de rij en ik leg mijn spullen op de loopband. Terwijl ik betaal met de Pin vraagt het kassameisje of ik het bonnetje wil hebben. ‘Nee, dank je wel. Dit is al zwaar genoeg.’

Buiten aangekomen open ik mijn blikje en waag ik een blik op mijn telefoon. Geen gemiste oproepen, geen smsjes ontvangen.
Op mijn elfendertigst loop ik terug naar mijn appartement.
Het lukt me weer om de sleutel in mijn slot te krijgen zonder extra krasjes aan de verzameling toe te voegen.

De maaltijd gaat in de magnetron en ik plof neer op de bank.
Ik ben benieuwd of het morgen weer een kortebroekendag wordt…

Kindsterretje

20 November, 10.30uur.
Hard gebonk op de deuren.
“Politie, doe open!!!”, roept iemand. Een dof geluid als de politie de deur open schopt. ‘Moet dat nou, al die herrie zo vroeg in de morgen’, vraagt hij zich af terwijl hij nog een keer op zijn andere schouder gaat liggen. Het appartement naast hem wordt al tijden gebruikt als drugspand, dat vond hij wel best, hoefde hij niet zo ver te lopen om wat te scoren.

Een paar uur later wordt hij opnieuw wakker, geen gebonk deze keer, maar hij voelt wat gekriebel op zijn buik. Hij pakt de slipper die naast zijn matras ligt en slaat zichzelf een paar keer op zijn buik, zijn t-shirt vertoond een rood vlekje. Dat was al de tweede keer deze ochtend dat hij door ongedierte wakker werd gemaakt.

Opstaan dan maar, een kopje koffie gaat er wel in. Helaas is de koffie op, eigenlijk is alles op, geen geld voor boodschappen. Dan maar een glaasje water. Hij pakt zijn glas van de tafel, gooit de oude peuken eruit en tapt een glaasje water uit de kraan. Gelukkig is het kraanwater zelfs in het ghetto te drinken.

Op zijn keukentafel ligt nog een laatste restje van zijn joint, die kan hij wel gebruiken op deze onrustige dag. Hij buigt over het fornuis en steekt zijn jointje aan. Tijd voor ontspanning en misschien nog wat geld maken om boodschappen te doen.

Als hij naar de badkamer loopt struikelt hij half over zijn vergeten speelgoed. ‘Stomme kraanwagen’, mompelt hij nog terwijl hij zijn rode lokken in de spiegel bekijkt. Een onverzorgde bos haar, bijna een afro, alleen dan rood met allemaal klitten. Zijn huid is zo wit, dat hij even dacht dat hij bloedde, maar het was de bloedvlek van de kakkerlak op zijn t-shirt. Goede wiet hadden de buren. Hij mist ze nu al.

Nog even naar het toilet, shit, toiletpapier op. Nog een keer extra persen om zeker te zijn dat alles eruit is en dan snel de douche in.
Onder de douche bedenkt hij zich dat hij beter zijn joint even weg had kunnen leggen. Het is niet zijn dag, maar dat is hij tegenwoordig wel gewend. Vroeger was hij een ster, maar nu is hij in de vergetelheid geraakt. Langzaam kleed hij zich aan. Spijkerbroek, eerst linkerbeen dan rechterbeen. Iets klopt er niet, zijn rechterbeen is halverwege de pijp via een gat naar buiten gegaan.
Nog een keer proberen, gelukt. Ook trekt hij een trui aan over zijn t-shirt, het is immers november.

Hij trekt zijn deur open, het is druk op de gang, allemaal mannen in witte overalls. Even schrikt hij en krijgt hij een flashback naar zijn periode in De Lispeltuut.
De Lispeltuut, wat was hij blij dat hij daar weg was. Dagelijks met een groepje verslaafden in een cirkeltje en dan praten over de dingen die je had gedaan en die je eigenlijk niet had mogen doen. Ja, hij had wel spijt dat hij de houten poot van Karel had gebruikt om te gaan honkballen. Maar hij kon toch ook niet weten dat Karel die dag de finale moest rennen op de Paralympics.

Maar deze mensen waren van de politie en ze waren bezig met het opruimen van de wietplantage van de buren. Lopend naar de lift voelde hij de blikken van de politiemannen in zijn richting.
Hij draaide zich om om te kijken of hij niet aan het trippen was.
Toen hij zich helemaal had omgedraaid voelde hij meteen hoe een rubberen zool van een legerschoen een mooie afdruk in zijn maag achterliet.
Door de kracht valt hij achterover en zijn hoofd stuitert nog een aantal keren op de vloer. Hij denkt ‘what te f*ck?’ en terwijl hij probeert de pijn op zijn achterhoofd weg te wrijven ziet hij hoe de mannen staan te lachen. Met zijn handen in zijn haar ligt hij daar, verbaasd, blik op oneindig. Stamelend vraagt hij watvoor dag het is. ’20 November’, zegt de man terwijl ze nog harder beginnen te lachen. En dan begint het te dagen, het is 20 november, ‘kick a ginger’-dag. Hij staat op en haast zich snel naar binnen om zijn blauw met roze pet op te doen.
Als hij weer de deur uitloopt staan de mannen nog steeds te lachen. Dat doet in ieder geval geen pijn.

Op het station aangekomen, na 20 minuten lopen, loopt hij de fietsenrekken af op zoek naar een geschikte fiets. Het liefst een omafiets, en als het kan met handremmen. Daar staat er een met een simpel kabelslotje. Van een andere fiets breekt hij de standaard af, deze steekt hij in de kabel en hij begint te draaien. Door de druk die op de kabel ontstaat springt uiteindelijk het slotje.
Nu nog verkopen, gelukkig wonen er genoeg studenten in de stad, dus dat zou niet zo moeilijk worden.
Uiteindelijk had hij de fiets voor 15 euro aan een corpsballetje verkocht. Snel wat eten kopen en natuurlijk het toiletpapier en de koffie niet vergeten. Zijn oude vriendin Aagje werkt als kassiere bij de plaatselijke supermarkt. Meer dan ‘hallo’ en ‘daag’  kon hij tegenwoordig niet tegen haar zeggen.

Hij had alweer genoeg van de dag en spoedde zich naar huis. De politie was eindelijk weg. Hij zag dat de deur van de buren niet goed was gesloten, zou ook raar zijn want deze had de politie geforceerd. Hij duwt de deur zachtjes open en roept ‘hallo’, de leegte van het appartement echode bijna terug.
Zo leeg lijkt 20m2 nog ergens op. Zijn blik doet nog een rondje in het appartement en in de hoek staat een vergeten vuilniszak. Als hij dichter bij de zak komt kan hij zijn geluk al niet meer op, als een bloedhond vangt zijn neus de geur van wiet op en alles wijst in de richting van de vuilniszak.

En ja hoor, de zak zit vol met henneptoppen. Als hij niet zo dun was geweest zou hij een gat in de lucht springen.
Thuisgekomen stopt hij zijn hoofd in de zak, een aantal topjes blijft in zijn haren plakken. Snel rolt hij nog een jointje en steekt hem op. Drie jointjes later begint hij te denken aan vroeger, vroeger was alles zo simpel. Dagelijks ging hij buitenspelen met zijn kraanwagen, iedereen vond zijn rode haren zo leuk. Samen met Aagje beleefde hij allerlei avonturen. Hij droomde van een carriere bij de ANWB. Toen hij wat ouder werd, werd alles complexer.

Hij kreeg gevoelens voor Aagje, maar zij hield meer van oudere mannen en niet van jongens van 18 met hun kraanwagentje. Op een dag betrapte hij Aagje met de museumdirecteur. Er knapte iets in hem. Hij had gehoord dat je je problemen kon wegdrinken, 6 flessen kindercola later had hij alleen nog maar buikpijn en was hij Aagje alweer vergeten. Bij de daarop volgende tegenslagen greep hij ook naar de fles. Na een akkefietje met de majoor en zijn paard werd hij van school gestuurd.
In die tijd ging het met de buurt ook al slechter, de fabriek waar ze stampertjes maakten werd gesloten en veel van zijn buren verhuisden naar een betere omgeving. De leegstaande appartementen werden verhuurd aan probleemgezinnen die nergens anders welkom waren.
En de “Hoedenflet” werd zelfs afgebroken.
Op een gegeven moment liep hij meneer Pen tegen het lijf. Meneer Pen had iets beters dan kindercola, hij had wiet. Daarmee kon je geld verdienen en je eigen pijn verzachten. Hij ging dealen voor meneer Pen, dagelijks was hij weer op straat te vinden met zijn bekende kraanwagentje. Alleen had hij nu de drugs verstopt in het wagentje.
Meneer Pen was een jaar later omgekomen bij een ripdeal. Omdat hij nu geen leverancier meer had stortte zijn leven nu helemaal in.
Geen wiet, geen geld. Geen geld, geen wiet.
Hij zou voor altijd gevangen zijn in de Petteflet
Nu zit hij weer in zijn kamer, met een zak vol met wiet. In de hoek van zijn kamer ligt het wagentje waar hij vanochtend nog over heen viel.
Een glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij maakt een aantal zakjes wiet en verstopt ze onder de motorkap.
De volgende dag gaat hij voor het eerst sinds jaren weer met zijn wagentje naar buiten. Van alle kanten komen mensen op hem afgelopen, zwaaiend met geld.

De avonturen kunnen weer beginnen.

Mc Donalds

DE slogan van de bekende chefkok
De Herman Blijker van de snelle hap
In veel landen een begrip en de bekendste burger is zelfs een maatstaf voor de economie.
Zo heb ik er net ook ff wat gehaald. En toen viel me op dat er maar één Big Mac is, dat staat tenminste op het doosje.
Op het doosje staat ook dat mijn Big Mac uniek is. Er zitten namelijk 2 perfect gegrilde burgers in van 100% rundvlees en één plakje augurk.
Maar het kan ook zijn omdat de Big Mac torenhoog is.
En toen ik dat las, begreep ik waarom er maar één Big Mac is en die van mij altijd zo snel op is. We krijgen elke x maar een ieniemienie stukje van DE Big Mac.
En aangezien heel de wereld van deze Big Mac eet, kan het best zijn dat die Big Mac torenhoog is. (en die hoeft niet eens in Dubai te staan)
Meestal neem ik een menu en daar horen frietjes bij. Lekkere hete, krokante frietjes, dat staat namelijk op het kartonnetje.
Waarom is mijn friet dan altijd koud en nooit krokant???
Als toetje hebben we daar de hamburger, van ‘origine’ heerlijk. Nou, waarom laten ze het dan niet origineel? Ipv dit slap ‘broodje warmvlees’.
Misschien komt dit allemaal wel omdat dit niet voor mij bestemd is, waarom staat er anders alleen maar voedingsinformatie voor vrouwen op?
Gelukkig verwent de verwaterde cola wel mijn mond…

Yes, I’m lovin’ it en ik heb weer honger

Entrepreneurschap onder daklozen/junkies

Respect voor al de daklozen en junkies die op een “legitieme” manier cashflow proberen te genereren voor een slaapplek en/of crack.
Natuurlijk is er een verschil tussen daklozen en junkies, maar voor dit verhaal gooien we iedereen onder de noemer “junk”, omdat dat het toch wat toegankelijker maakt.

Er zijn verschillende soorten manieren van ‘werken’ waarmee ik te maken heb gehad.
Normaal heb je natuurlijk de bedeljunk die gewoon om een euro vraagt en daarna weer doorloopt. Een vervelende variant hierop is de jehovajunk die je blijft achtervolgen tot je iets geeft (en natuurlijk niet minder dan de euro, want dan wordt ie boos).
Een iets betere variant vind ik dan toch de bedeljunk met een verhaaltje.
Geld voor een slaapplek, wat eten of een kopje koffie.
Waarschijnljik gaat het overgrote deel op aan bier bier en crack van Kempi.
De kans dat ik geld zou geven zou groter zijn als dat gewoon zou zeggen, of als hij geld nodig zou hebben om naar de hoeren te gaan, props voor de oprechte junk.
Maar je ehbt ook nog de werkende junk.
Zoals de welbekende daklozenkrantverkoper, of die ene die gewoon de metro probeert te verkopen.
In de trein kwam ik ook lange tijd dezelfde junk tegen die een praatje hield over daklozenopvang.
Of de muziekjunk, die een paar liedjes speelt en dan weer verdwijnt met money in the pocket. Al weet ik niet zeker of dit wel een echte junk is of gewoon een muzikant, maar zoveel verschil zit daar meestal toch niet tussen.
Zelf heb ik pas een kaartje van iemand gekocht, voor een ‘slaapplaats’.
De tekst was ‘Waar was ik zonder jou?’. Een gratis boomerangkaar, maar hij had het wel verdiend.
Al had hij meer gekregen als hij naar de hoeren of crack wou…

Het is wit buiten (poezie)

Het is wit buiten,
Dat komt door de sneeuw
Dat ligt overal en is spierwit
Dus is het buiten wit
En toch zie je mij als ik in mijn blote kont in de sneeuw ga liggen
Dussss….

’s Nachts is het donker
soms zelfs pikdonker
zo zwart als de nacht is het dan
En als ik dan in mijn blote piemel voorbij kom gerend
Dan zie je me niet
Dusssss…

Kebab Kebab

Als je op stap bent geweest rest nog 1 ding…
ff eten
Broodje kebab. ‘Met saus?’ Ja, doe maar

Altijd leuk om te zien hoe zatte kinderen van 16 jaar (kan officieel niet jonger) aan het eten zijn.
Dat gaat meestal niet zo goed. Friet en vlees (en saus) vliegt aan alle kanten uit het bakkie op de grond.
Wellicht omdat hij dit expres deed. Waarna hij ff Achmed roept om alles op te ruimen, want in zo’n rotzooi ken je natuurlijk nie eten?! Een standaard shoarmazaak tafereel.
Ter opvoeding geven we de vlegel maar een servetje om zijn gezicht mee af te doen.
En een reprimande als hij nog een servertje probeert te pakken.
“Wel netjes vragen heh…”

Nadat de voorstelling was afgelopen was het tijd om naar huis te gaan.
Uhmmm, misschien dat we maar iets meer haast moeten maken.
Ik voel Ali Chemicalie in mijn maag aan het werk. Het broodje anthrax probeert mijn darmen te ontvluchten.
Ff wat sneller rijden. Oh ja, 1.0, ok dan maar zo snel mogelijk rijden.
Eerst iemand afzetten… wordt lastig… geen scheetjes laten

Laatste bochtje doorracen
parkeren
rennen
binnen
oh jas moet uit, kut
billetje aanspannen
snel zitten
gehaald… opluchting, leegloop

“met saus?”

Alleen maar 🙁

Nerdisme

Volgens Wikipedia (het brein van menig student) is een Nerd meestal een lange blanke man met een grote bril, beugel en acne. En heeft hij ook nog zijn broek tot net onder zijn oksels opgetild. Oh, en meestal hebben ze ook nog een IQ waar je U tegen zegt. Nou ik ben ook blank, daar houd volgens mij elke vergelijking bij op. Ik ben kort, geen bril, nooit een beugel gehad. Van acne heb ik ook weinig last. Mijn broek hangt meestal dichter bij mijn knieën dan bij mijn oksels. En tegen mijn IQ zeg je eerder ‘awww, menneke toch’.

En toch ben ik best een nerd.
Op mijn werk heb ik veel met cijfertjes te maken. En inderdaad, soms is dat nog leuk ook. Ik lees boeken, van ‘Hoe word ik een misdadiger’ tot ‘The hardest (working) man in showbizz’. Hey, het zijn boeken en meestal nog informatief ook. Ik breng veel tijd door achter mijn pc en echt niet altijd om porno te kijken en films en muziek te downloaden (dat doe ik ook niet want dat is illegaal). Één van mijn hobby’s is fotograferen. Dan loop ik dus met mijn camera door de stad en maak her en der wat kiekjes. Welke ik dan later weer wis omdat ze me niet bevallen. Ik maak zelfs foto’s van mezelf. Dat is niet alleen nerdig maar ook een beetje arrogant. En mijn andere hobby is gamen. Soms zit ik uren achtereen achter mijn xbox of Wii. Beetje andere mensen neerschieten of slaan, omdat ik dat in het echte leven natuurlijk niet durf. En dan doe ik dat, als een echte nerd, online met andere ‘vrienden’.

Sowieso ben ik altijd al een undercovernerd geweest.
Vooral als mensen mij nog niet gezien hebben en ze hebben wel ergens mijn naam gelezen of gehoord. Dat is dan weer het voordeel van een dubbele naam. Het is dan net alsof ik sophisticated ben, totdat ik binnenstap met mijn arrogante kale kop en niet te vergeten Eindhovense lompheid.

Bitch please…