Vervelende Supporters

Vervelende supporters, een hekel heb ik eraan

Schreeuwende, scheldende supporters. Bah.
Zelf ben ik er af en toe ook één.

Ik heb een nog grotere hekel aan die schreeuwende en scheldende supporters die de sport zelf ook beoefenen.
Van die fanatiekelingen die denken dat ze alles van het spelletje weten.
Zelf weet ik dat maar soms.

Maar de grootste hekel heb ik toch aan de vrouwelijke supporters die zelf ook de sport spelen en daarom denken te weten hoe alles moet zijn. Van die vrouwen die thuis hun man opdragen om te afwassen en daarna boos worden als de vorken in het bakje van de messen ligt.

Dit weekend was het weer raak.
Eerst naar een basketbalwedstrijd geweest. Zit ik daar heel lief en charmant op een bankje wat foto’s te nemen van een wedstrijd, zitten rechts van mij gewoon een paar vrouwelijke supporters van de tegenpartij.
Ergens anders gaan zitten was geen keus, want dit was het laatste stukje bank dat over was en ik ben te lui om te gaan staan.

Dus die wedstrijd is bezig. Een beetje spannend, zoals een basketbalpotje tussen oudere mannen alleen maar ‘een beetje’ spannend kan zijn. De scores volgden elkaar snel op. Net als de persoonlijke fouten. Vooral de thuisclub werd meerdere keren terug gefloten door de scheids. Hij was al snel de gebeten hond bij de supporters naast mij.
Of hij misschien een bril wou lenen, want de speler stond toch echt stil toen iemand tegen hem aan liep.
Misschien dat zij haar bril moest poetsen, want de speler trok ook echt aan iemands arm.
De scheids kon niet veel goed doen, behalve toen de bal uitging en hij de bal aan de thuisploeg gaf. Applaus voor de scheidsrechter.
Het supportersgedrag had niet het gewenste effect, de eigen spelers maakten steeds meer fouten en raakten verder achterop.
Het enige werkende effect was dat ik met een piepende rechteroor in de auto stapte.

Tijd voor een voetbalwedstrijd

Aangekomen in het stadion, op mijn eigen stoel, hoor ik meteen commentaar op de spelers.
Ik hoor het meest aan mijn linkerkant, maar ook een beetje rechts.
Het is een stem die ik niet herken. Iemand zit op een plek waar ze niet hoort te zitten.
Links en rechts van mij zitten dezelfde mensen als normaal.

Ik hoor de stem weer. “Hufters!”
Het is een vrouwenstem: “Voetballen hufters!”
Een vrouwenstem die blijkbaar zelf ook voetbalt: “Je kan nog niet eens bij ons spelen, hufter.”
Zij weet wel hoe het moet. Je zou bijna denken dat het een standaard retarded hooligan voetbalvadertje is met een hoge stem. Een hooligan met een klein scheldnamenvocabulaire.
Het zijn allemaal ‘hufters’ op het veld.

Ze moedigt de hufters aan. De hufters moeten scoren.
De hufterin zit pal achter me.

Het zit me niet mee vandaag.
Mijn rechteroor is kapot en nu wordt links ook nog mishandeld.
Niet alleen mijn gehoor wordt beschadigd maar mijn gehele neurologisch gestelsel krijgt een opdoffer.

Midden tweede helft zijn mijn hersenen zo aangetast dat ik, bij een scheidsrechterlijke dwaling, opspring en zelf een grotere scheldkanonade eruit gooi richting deze man met een geel blaadje in zijn hand.
Ik kan er niets aan doen.
Ik sta nog en wordt erop geattendeerd dat de hufterin ‘per ongeluk’ haar bier over mijn stoeltje heeft geknoeid.
Gelukkig is mijn ‘go full retard’-meter weer in het groen en kan ik me beheersen.

Na de wedstrijd duurt het een aantal minuten voordat de rust is wedergekeerd.
Er is gewonnen, dolle boel, iedereen weer vrolijk naar huis en hopen dat het de volgende wedstrijd weer normale vervelende supporters.

Nu, een aantal dagen later, lijkt het nog dat ik hees ben.
Mijn stem klinkt mishandeld.
Of is er iets mis met mijn oren?

Mijn 1e keer : Stijl achterover

Ik stond daar, aan dat bed, aan dat ziekenhuis bed. Mijn vriendin lag op het bed. De zuster zou haar gaan prikken met een naald en veel minder leuke dingen kent mijn vriendin niet.
Ik stond daar, als haar rots in de branding, ze mocht mijn hand vasthouden. Haar nagels mochten zich in mijn handen kerven. En dat deden ze ook, de halve maantjes staan er nu nog.

Maar dat was niet het ergste.
Misschien was het de hitte in dat kleine ziekenhuiskamertje, dat gemixt met mijn warme trui en mijn winterjas.
Of omdat ik zo stom en nieuwsgierig ben dat ik zo nodig moest kijken hoe de naald meerdere keren de huid van mijn vriendin binnendrong.

Uiteindelijk voelde ik mijn korte beentjes trillen. Ik keek nog snel om mij heen, maar niets anders trilde. Geen aardbeving dus.

Opeens stilte, een moment van rust. En ik, ik was in dromenland.

Wat ik precies aan het dromen was weet ik niet meer.
Ik weet nog wel dat ik ineens een mannen stem hoorde en armen mij beet pakten. Dus een pornodroom kon het niet zijn.
Meerdere stemmen hoorde ik. Ook vrouwelijke deze keer.
Was het dan toch een pornodroom?
Ze zeiden dat ik wakker moest worden.

Een paar minuten later lag ik op bed, om me heen een aantal geschrokken zusters (mannelijk en vrouwelijk). En ook mijn vriendin zat me geschrokken aan te kijken.
Ik keek even naar mijn kruis om zeker te weten dat het geen pornodroom was.
Gelukkig.

Er waren ook geen kabouters, maar ik was zo wit als Sneeuwwitje.
Ik was schijnbaar flauwgevallen. Door mijn benen gezakt en stijl achterover op mijn kop beland.

Gelukkig maar dat mijn haardos al grootse vormen aanneemt, want anders had iedereen mijn achterhoofd verwart met die van Ulrich van Gobbel. Niet zwart, maar wel een flinke bult.

Nadat ik nog een paar uren op de Eerste Hulp had gelegen, mocht ik weer naar huis.
Niets aan de hand, alleen een beetje een lage hartslag.
Maar dat is normaal in de Bijlmer. Tranquilo.