50 Tinten Navy Blue

De personen in dit verhaal zijn fictief, namen en personages zijn aangepast om privelevens niet te beschadigen. Gebeurtenissen zijn minder erg gemaakt en in de correcte volgorde opgeschreven, zoals ik me het herinner.

 

Winter 2000, buiten schijnt de zon, het is ongeveer 20 graden en ik kom net terug van het zwembad. Het is tijd om te kijken of er nog wat nieuws is gebeurt in Eindhoven. Ik klik op de website van de ‘lokale’ krant en lees dat een groepje mensen een American Footballteam wil opstarten. Ik lach, maar lees verder. Ze willen ergens in de lente gaan starten met trainen. ‘In de lente ben ik weer thuis, dan kan ik wel een keer kijken.’, bedenk ik me en ik ga weer naar buiten, genieten van de zon.

Een seizoen later, lente. Terug in Nederland. Ik heb onthouden dat het team traint en ik weet ook waar ze trainen. Ergens op een grasveldje in een park. Gelukkig dicht bij huis, hoef ik niet zo ver te fietsen.
Dus ik samen met mijn minifiets naar het park fietsen om te kijken hoe de training eruit ziet. En om te kijken of er echt  wel mensen zijn komen opdagen. Raar genoeg is dit echt het geval. Later zou blijken dat je ook met minder man een wedstrijd kan uitspelen.
Ik ga nog een aantal trainingen kijken en besluit om aan de trainer, later wist ik pas dat je die gewoon ‘coach’ noemt, te vragen of ik een keer mee mag trainen. “Geen probleem”, zegt hij. Gevolgd door: “Neem wel voetbalschoenen mee, dat is makkelijker op gras.”

Het is een week later en ik heb ergens een paar goedkope voetbalschoenen op de kop getikt. Een goede aankoop.
Op de training blijkt al snel dat ik ontzettend veel talent heb.
Talent om met voetbalschoenen over een ongelijk grasveld te rennen en hondenstront te ontwijken.
Ik word dan ook verbannen van de verdedigers naar de aanvallers om te gaan rennen met de bal. Een bal die rond was, waar Peter op heeft gezeten. Nu is de bal een ei en Peter waggelt nog steeds. Maar later meer over Peter, dit is mijn autobiografie.

De eerste paar trainingen wordt de sport uitgelegd, wat moet je doen, wanneer moet je het doen. Maar ook vooral wat moet je niet doen.
Uiteindelijk gaat het team naar een echt sportveld en gaan we flagfootballwedstrijden spelen. Flagfootball is een beetje wat korfbal is voor basketbal, badminton voor tennis en masturberen voor sex.

Het doel is om echt American Football te spelen, met pak en alles.
Met het complete team gaan we pakken passen. Niks stropdassen en pantallos, helmen en shoulderpads willen we. We voelen ons koningen. Thuis natuurlijk de outfit showen.
‘Kijk mam, dit zorgt ervoor dat ik niet dood ga.’
‘Kijk pap, dit zorgt ervoor dat mijn ballen niet dood gaan.’

De eerste trainingen met het pak aan voelen onwennig. Om te wennen aan het pak gaan we in een rondje staan en moet een van ons in het midden. Een soort van ‘lummelen’. Om de beurt rennen we op de lummel af en proberen we hem omver te beuken. Iedereen mag een keer in het midden. ‘Oh wat fijn’
Hier sta ik, in het midden. Ik kan alleen vooruit kijken want die helm staat op mijn kop en weegt 20kg. Daar komt iemand aangerend. Hard, heel hard. Daar is de lucht, donker. Ik zie sterren in de lucht. Tijd om op te staan. Daar komt de volgende.

Ik ga naar huis. Ik heb pijn. In al mijn spieren voel ik pijn. Onder de douche branden de schaafwonden. Ik kruip in mijn bed en knuffel mijn helm. ‘Dankzij jou leef ik nog.’
Slapen wil ik, maar de adrenaline houd me tegen. Ik begin te glimlachen. ‘Auw’. Ik begin te lachen. ‘Haha, dat doet nog meer pijn sucker. ‘
’s Ochtends kijk ik in de spiegel. Mijn armen zijn blauw en rood en geschaaft. Maar ik voel me goed een machtig gevoel. ‘Dat heb ik toch mooi overleeft’.

De trainingen worden intensiever en leuker.
Het team wordt hechter. Een leuke groep van jonge kerels, ieder met een andere achtergrond. Kakkers en sloebers. Linkse stakkers en rechtse pakkers. Lang en kort, dik en dun.

Het is tijd voor echte wedstrijden. Eerst een aantal oefenwedstrijden en dan de competitie in. Tijd om onze konten geschopt te krijgen. Als runningback leek ik wel de paus, zo vaak moet ik de grond kussen. Maar gelukkig heeft onze quarterback het moeilijker. Frits heet hij. Onze offensiveline is nog niet zo goed dat ze hem ook daadwerkelijk kunnen beschermen. De ene wedstrijd breekt hij zijn duim en de andere wedstrijd vliegt zijn schouder uit de kom. Om de pijn te verlichten krijgt hij lachgas en komt hij ongelooflijk vrolijk terug naar de wedstrijd. Wij hebben dan al verloren, maar hij probeert ons te vermaken door een bierflesje in zijn kont te stoppen.

Het seizoen komt ten einde en uiteindelijk blijkt dat mijn knie ook te veel klappen heeft opgevangen.
Het volgende seizoen ga ik mij dan ook noodzakelijk herpositioneren. En wel op de verdediging als safety. Een win-win formule. Nu mag ik andere mensen pijn proberen te doen.

Om ons beter voor te bereiden op het naderende seizoen besluiten we op trainingskamp te gaan. Dit doen we later nog vaker.
Op het trainingskamp trainen we ons suf. Hele dagen alleen maar trainen. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, trainen. Trainen als de profs.
Eerst theorie, turfen hoe vaak de defensivecoach ‘ Uhh’ zegt. Daarna omkleden en het veld op van de topsportaccomodatie. Een veld zo glad als een biljartlaken. Enige probleem dat er een paar bomen op staan. Na de training moeten we nog verplicht een aantal meter zwemmen in aangrenzende zwembad, ook wel liefkozend ‘De Sloot’ genoemd.

’s Avonds is er geen tijd om te slapen. Er komt een brandoefening, met vuurwerk en alles. Deuren moeten geforceerd worden om buiten te komen. Een van de nieuwe spelers, ToyBoy, komt vast te zitten en word anaal verwoest door een loopse Belg. Er zijn geen getuigen, behalve de Captain of the Night.

Hij waakt over ons allen. Als je slaapt, komt hij nog je kamer op en zorgt ervoor dat je onder de stift zit als je wakker wordt. Men zegt dat hij de naam Hans Wouters draagt en in het echte leven man is.

Het trainingskamp is zo zwaar dat een marinier in wording bijna huilend naar huis gaat. De hoge druk van het presteren kan hij nog niet aan. Gelukkig is het later allemaal goed gekomen en noemen we hem liefkozend ‘Timmer’.

Er is nog een ding dat we missen in het team. En dat is een neger. Of liever meerdere. Een sportploeg zonder utizonderlijk snelle en atletische mensen is natuurlijk geen echte ploeg. Uiteindelijk vinden een Antiliaan en een Amerikaan de weg naar het trainingsveld. De een is nog sneller dan de andere. Beiden hebben uitzonderlijke kwaliteiten. En als je de kwaliteiten legt naast de bestaande receiver die we hebben. Ene Jeroen Plebs, dan merk je toch het verschil tussen een donkere atleet en een schurftigere melkfles die alleen maar naar de bal kan glijden. (een goede jongen die Jeroen, maar het zijn toch bepaalde dingen waar je iemand aan herinnert)

OK, nog meer wedstrijden. Ik speel voortaan dus Safety. Mijn kleine lichaam gooien voor veel grotere spelers en hopen dat ze vallen. Of in ieder geval iets afremmen zodat mijn teamgenoten me kunnen helpen.
De leuke wedstrijden zijn die tegen de Tilburg Steelers. Altijd lekker hard. Het enige wat ze in Tilburg kunnen (konden) was rennen met de bal. En dat kunnen ze goed en hard. De dagen na wedstrijden geniet ik nog steeds van de blauwe plekken. Trofeeen zijn het.

Een klein Belgje zei weleens: “Pain heals, chicks dig scarves and glory last forever”

En meer waarheid bestaat er niet.

In deze tijd is onze verdediging niet te stoppen. Aangevoerd door de eerder genoemde Peter breken we vele aanvallen af. We worden hierbij gesterkt door een langharig Jezusfiguur die zo vaak is verward met Jezus dat hij tegenwoordig op elke godsdienst pist.
Naast de kleine Belg is er ook een grotere met een kleine Belg in zijn onderbroek. Als je door hem getackeld word krijg je altijd nog een klap na van zijn kinderarmpje. Hij voelt zelf niets meer, hij is helemaal ingepakt in tape, geen sporttape maar ducttape. De grijze, die McGyver gebruikt om een helikopter te maken van een paperclip.

Ik sta in het backfield, samen met Timmer en de ‘oude’ quarterback Frits. Met zijn drieen zorgen we ervoor dat de quarterback van de tegenstander geen bal naar zijn receivers kan gooien.
Om onze superioriteit te bezegelen spelen we met roze veters: The pink Laces, ook wel Pink Ladies genoemd.

American Football heeft vele spelregels. Ik ken ze nog niet allemaal. Maar dat is ook niet nodig als verdediger en al helemaal niet als safety.
Regel 1: Tegenstander pas aanraken/tacklen als hij de bal heeft aangeraakt
Regel 2: Bal nooit en te nimmer proberen te vangen, pak de man niet de bal
Regel 3: Stoppen als de scheidsrechter fluit

De eerste twee regels heb ik onder de knie. De eerste zo goed dat de scheidsrechter soms nog niet eens heeft gezien dat de tegenstander de bal heeft aangeraakt voordat ik erop zit. Zo snel ben ik.

De derde regel is tricky, want je krijgt namelijk bonuspunten als je de aanvaller nog raakt op het moment dat de scheidsrechter nog aan het fluiten is. Dit lukt me vaak, alleen is de scheidsrechter meestal te trots en geeft me dan een ‘penalty’ tegen.

Zoals ik al zei, we zijn niet meer te stoppen.
We staan dan ook in de finale. Een echte finale is het niet. We spelen nog een wedstrijd en als we die winnen, dan zijn we kampioen. Zo gezegd, zo gedaan. Winst in Assen. In de kleedkamer blijkt dat een van onze spelers uitdrogingsverschijnselen heeft. Gelukkig is hij hierop voorbereid. Voor de wedstrijd had hij wat urine bewaard in een lege bierfles.

Langzaamaan heeft mijn lichaam meer tijd nodig om te herstellen na wedstrijden. Bijna al mijn gewrichten vertonen kuren. Maar de adrenaline wint het nog steeds van de kwaaltjes van mijn rap verouderende lichaam.

Na het kampioenschap in de 3e divisie zijn we gepromoveerd naar de 2e divisie. De intensiteit gaat nog een knop omhoog. De blauwe plekken worden blauwer. Her en der een litteken die niet meer weggaat. Alles gaat goed. Wedstrijden zijn harder. Meer pijn, meer fijn. Langer genieten van gevoelige spieren en bloeduitstortingen. Onder de douche langer het brandende gevoel van afgeschaafde huid.
Het gaat goed. De wedstrijden gaan ook goed. Op naar de halve finale.

Naast de normale ‘late’ hits en legale vuile tackels ook nog een keer de bal gevangen. Waarom gooide die quarterback van de tegenstander de bal naar mij? Wedstrijd voorbij, tijd voor de finale.

De finale tegen Maastricht. Een team met 100 keer zo veel amerikanen als ons. Maar ze zijn geen 100x beter dan ons. De wedstrijd is leuk en hard. Halverwege zegt mijn nek ‘knak’, maar dat is dan al vaker gebeurt. Even wat koud water erop en weer terug het veld in. Vechten voor volk en vaderland en een paar Belgen.
Uiteindelijk verliezen we de wedstrijd. Met hoeveel weet ik niet, dat interesseert me ook niet. Scores en statistieken, iets waar ik nooit zo veel om heb gegeven. Er zijn twee dingen belangrijk: ‘Heb ik mijn best gedaan voor het team?’, ‘Heb ik plezier gehad?’.
Na de wedstrijd wordt de Captain of the Night nog in een Dixie gestopt en omvergegooid.
In de auto terug naar huis wrijft Frits nog een keer bij Timmer in dat laatstgenoemde beter had moeten verdedigen, want dan hadden we wellicht wel gewonnen.

Na deze finale gaat het helaas snel bergafwaarts met de club. Links en rechts stoppen spelers met spelen. Ze zijn vermoeid, moeten werken of hebben geen geld om achterstallige contributie te betalen.
De club houd bijna op met bestaan. Een aantal speler probeert er nog wat van te maken.
Met wat vers vlees wordt de club nagenoeg opnieuw gebouwd.
De eens zo grote vaste groep van mafkezen wordt langzaamaan vervangen door een nieuwe groep.

Ook ik besluit te stoppen. Het reizen van Amsterdam naar Eindhoven wordt me te veel.
Ik wordt snel tientallen kilo’s zwaarder en wordt agressief naar mijn Xbox toe.
Ik mis de adrenaline, de sport en het plezier van de pijn.

Ten einde niet opgenomen te worden in een inrichting besluit ik met hangende pootjes terug te gaan.
Nu ben ik echt een van de oudste spelers. De regels ken ik gelukkig nog steeds niet allemaal.
In verband met blessures mag ik quarterback staan. Ik, klein, heel klein en ik kan amper gooien. Ik sta achter een kont die vier keer groter is dan die van mij. Als die kont rechtop staat is hij een kop groter dan mij. Ik, ik ga die bal gooien. Behalve tegen Utrecht. Ik ga rennen met de bal. Rennen ja, vooruit, niet uit het veld stappen. Het maakt niet uit dat die man die daar komt aangerend professioneel football heeft gespeeld. Een half uur later ben ik op de Eerste Hulp om een foto van mijn longen te laten maken. Er kwam wat bloed naar boven. Niets aan de hand, even rust houden.

Af en toe komen er wat nieuwe ‘spelers’ kijken. Jongens die met goede moed gaan beginnen en die je na 1 wedstrijd niet meer terug ziet. Voor het team maakt het niet veel uit. ‘We spelen gewoon twee kanten op.’
Vanuit Footballend Nederland wordt er geklaagd dat wij met zo weinig man zijn.
Na een wedstrijd tegen ons, hebben ze ineens respect.

Wedstrijden worden verloren, maar uitgespeeld. Menig wedstrijd vallen er meer mensen uit bij het andere team dan bij ons. En dat is maar goed ook, want zoveel hebben we er niet.

Om aan spelers te komen wordt er geflyerd en zijn er ‘rookie’ trainingen.
Nu merken we dat het team gestaag groeit. Een stabiele groep. Stabieler dan het ooit is geweest. Geen vaste groep die ineens kan vertrekken, maar spelers van verschillende leeftijden die elkaar steunen. Velen moeten nog leren om de pijn te omarmen en begrijpen dat je dagen lang beurs en blauw moet zijn. Dan heb je een goede wedstrijd gespeeld.

Nu ik ook al in de kou last krijg van mijn gewrichten en zelfs niet in de tocht kan zitten zonder dat mijn nek aan alle kanten kraakt is het tijd om te stoppen.
Ik ben blij dat ik het zo ver heb gehaald zonder ‘echte’ blessure. Ik heb gebroken benen en zaadleiders gezien. Gebroken duimen en kapotte schoenen.

Het enige wat ik heb gebroken is volgens mij mijn neus, maar dat kan ook een kneusing zijn geweest. Een kapotte enkel, maar dat komt grotendeels door een verbrijzelde voet door een aanrijding, al zal football niet hebben geholpen. Opgerekte kniebanden en scheurtjes in de hamstring, waarvan de fysio zei dat het beter was om te stoppen. ‘Nee’. Slijmbeurs ontstekingen in beide schouders. Gekneusde vingers die niet meer recht gaan staan en pijn doen in de kou. Een haakje in een nekwervel.
Maar dit is allemaal niet gebeurt met/door football maar met mijn spannende werk als kantoorslaaf.

Tijd om te stoppen dus.
Nog een paar wedstrijden, verliezen, maar alles geven.
En dan, uiteindelijk, na een laatste ‘late hit’ van het veld aflopen en stoppen.

RETIRED